“Er kwam geen straks. De rest van de ochtend liep ik naast Ron en zag hoe hij opvallend vaak naar Cynthia keek en zo onopvallend mogelijk dicht bij haar in de buurt probeerde te komen. Achter elkaar beklommen we de hoge piramide op het plein. Dat ik daarvoor mijn hoogtevrees moest overwinnen, wist niemand. Heilige berg, heilige berg, heilige berg, herhaalde ik in gedachten een soort mantra voor de afleiding terwijl ik, met hartkloppingen, droge mond en koud zweet in de nek, stapje voor stapje op de kleine, steile trappen aan de buitenkant van de piramide omhoogklom. Hoog in de lucht cirkelde een adelaar. Het klimmen op zich was niet het probleem, wel mijn levendige fantasie over een mogelijke val. Mijn enige houvast was het touw dat stevig geknoopt tussen de ijzeren ringen aan mijn rechterkant hing. De ringen zaten met ijzeren pinnen aan de oude stenen vast, maar wie garandeerde me dat de stenen niet loslieten? Boven stond pap met zijn ouderwetse fototoestel klaar om Cynthia, Ron en mij te vereeuwigen. Cynthia zag dat ook. Zonder enig teken van angst liet ze het touw los en bedekte haar gezicht met beide handen. ‘Niet doen, pap! Ik zie er niet uit...’ Die foto hebben we later thuis afgedrukt, zo met haar handen voor haar gezicht. Ik zag in gedachten hoe ze haar evenwicht verloor en met wapperende armen te pletter viel. Ik probeerde haar hoog in de lucht te houden. Met een parachute mocht ze van me op het strand in Bretagne landen, waar we vorige zomer samen schelpen hadden gezocht. Ze hield van schelpen en wist er heel veel van. Ze verheugde zich op de middag aan het strand van de Golf van Mexico die in de laatste week hier gepland stond en wilde nieuwe schelpen aan haar collectie thuis toevoegen.
Boven stond ik heel even naast pap de groene boomtoppen onder ons te bekijken. Her en der stak er een ruïnetop bovenuit. Als de parkwachters de wegen hier niet meer zouden onderhouden, verdween Tikal grotendeels weer onder het groen. Met mijn blik op de steen voor me en met een gevoel van overgave aan het onvermijdelijke, begon ik, tree voor tree, aan de afdaling. Ron en Cynthia passeerden me als vlugge hagedissen, één lichte, één donkere. Ze lachten om iets waar ik part noch deel aan had.” (p. 19-20).

Terug naar het boek



 aaa