“ ‘En, wat vind je van mijn liefdeskamer?’ hoorde ze opeens een stem vlak bij haar oor.
Geschrokken keek ze recht in de lachende ogen van de Grote Koning. Hij stond voor haar met een tros druiven in zijn hand, ronde buik, korte tuniek, benen wijd gespreid, blootsvoets. Een rijpe druif zweefde in de lucht, op weg naar haar mond. Hoe lang stond hij er al? In een haastige poging op te staan en behoorlijk voor hem te buigen, raakte ze verstrikt in de lange, witte jurk. Ze hoorde een scheurend geluid. Met brandende wangen krabbelde ze overeind, herwon haar evenwicht en bleef geknield voor hem liggen. Na wat haar een eeuwigheid leek, raakte een hand haar hoofd en woelde even door het losse haar. Was dat het teken? Ze keek onzeker op en zag opnieuw de druif op haar afkomen. ‘Proef maar,’ hoorde ze hem geruststellend zeggen. ‘Heerlijke druiven. Ik heb ze zelf geplukt.’ Toen hij de druif in haar mond stopte, rook ze de geur van wijn. ‘Sta op, gezegend avondgeschenk, laat me voluit van het uitzicht genieten.’
Met de druif in haar mond stond ze op. Ze durfde niet te kauwen of te slikken. De Grote Koning stopte toen een druif in zijn eigen mond en keek afwachtend naar haar.
‘Nu!’Ze hapten er tegelijk in. Zijn adamsappel ging op en neer.
‘Wat ben je toch een dadeltje om te zien. Draai je eens om.’ “ (p. 106-107)

Terug naar het boek



 aaa