“Sterren, overal sterren, een lucht vol schitterende, fonkelende sterren, in kleine groepjes en in zwermen, dichtbij en ver weg, en dan de maan, zie die betoverende, zilveren schijf, net boven de stad geklommen. De nacht van haar vlucht uit Jeruzalem zou Tamar nooit vergeten. Binnen het paleis huilden ze om een broedermoord, buiten huilden de jakhalzen van de honger. In de warme zomerwind bolden witte lakens als zeilen aan de waslijnen op de platte daken. Maast woestijndroogte bracht de wind geuren van mint, cichorei en alsem mee vanaf de heuvels rondom de stad. Zo zou Tamar zich die nacht altijd herinneren: warm, bitter, geheimzinnig en dan die ontelbare twinkelsterren en de maan: een nacht die haar leven voorgoed had veranderd en waarin ze het oude leven, dat allang geen leven meer was, achter zich liet…” (p.5).

Terug naar het boek



 aaa