“Toen de tomeloze golven moe leken van het razen, legde één ervan Roy voor de bovenste verdieping van een huis neer en trok zich terug. Roy was moe en wist niet waar hij was. ‘Is daar iemand?’ riep hij en bonkte met zijn koude vuist tegen het raam. Wat hoopte hij dat iemand hem nu vond en naar huis wilde brengen; hoe blij zou papa niet zijn, maar het raam bleef dicht. Het huis was verlaten, zoals meer huizen waar hij langs dobberde. Intussen dreef er van alles en nog wat langs: een lege fles, een theepot, een poppenwagen met een bange kat erop… Opeens zag hij beweging op een dak dat met zijn scheve schoorsteen wel op een zinkende stoomboot leek.
‘Ahoi hier!’ riep een man met een blauwe kapiteinnspet en een colbertjasje. Met één hand hield hij zich aan de scheve schoorsteen vast, met zijn andere hand zwaaide hij naar Roy. ‘Zeg dat er gauw hulp moet komen’.” (p. 11-12).

Terug naar het boek



 aaa