‘Ik heb een pacemaker,’ fluisterde hij toen ze weer in zijn slaapkamer overnachtte en het niet bij kussen alleen bleef. ‘En ik heb een kunstheup.’ ‘De lamme en de klamme vatte vlamme,’ zei hij, Ze kregen de slappe lach, waarmee de laatste terughoudendheid over hun oude lijf werd weggenomen. Als verliefde pubers gingen ze op verkenningstocht en
deden al vóór tienen, gesloopt, het licht uit. Niets geen pantser, met niemand had ze zo speels kunnen zijn en zo kunnen lachen bij het vrijen, zo zichzelf zijn zonder schaamte, ongeremd doen waar ze zin in had.

Terug naar het boek



 aaa