De beek was er het eerst, toen kwamen wij,
rondtrekkende reizigers,
en rustten uit aan haar oever.
Ze ving voor ons een wolk en trok de wind aan,
zacht verdubbeld,
water en lucht,
stilstaan en bewegen,
alles leek hetzelfde,
niets bleek wat het was.
Wij regen haar waterbeelden tot tijd
die er niet was
en lieten los
een wolk,
waterrimpel,
dobberend groen, hartvormig blad.

Uit: Morgen weet niemand



 aaa